Nederlands Oefenen - Tegenwoordige Tijd

Tegenwoordige tijd

Le Présent en Néerlandais (O.T.T.)

1 De basisregel (La règle de base)

Pour conjuguer un verbe régulier, on a besoin du radical (stam). On le trouve en retirant "en" de l'infinitif.

ikstam
jij, hij, zij, het, ustam + t
wij, jullie, zijinfinitif

werken

travailler
ikwerk
je (jij)werkt
uwerkt
hij / ze / hetwerkt
we (wij)werken
julliewerken
ze (zij)werken

2 Hebben & zijn (avoir & être)

hebben

avoir
ikheb
jehebt
uhebt / heeft
hij / ze / hetheeft
wehebben
julliehebben
zehebben

zijn

être
ikben
jebent
ubent
hij / ze / hetis
wezijn
julliezijn
zezijn

3 Speciale conjugaties (z -> s, v -> f)

reizen

voyager
ikreis
jereist
ureist
hij / ze / hetreist
wereizen
julliereizen
zereizen

schrijven

écrire
ikschrijf
jeschrijft
uschrijft
hij / ze / hetschrijft
weschrijven
jullieschrijven
zeschrijven

4 Scheidbare werkwoorden (Verbes séparables)

terugkomen

revenir
ikkom terug
jekomt terug
ukomt terug
hij / ze / hetkomt terug
wekomen terug
julliekomen terug
zekomen terug

Les verbes séparables sont composés d'une particule (comme terug, op, aan, uit) et d'un verbe de base.

Dans une phrase simple au présent, le verbe se conjugue normalement en 2ème position, tandis que la particule se place à la fin de la proposition.

5 Specifieke uitgangen (Emprunts et -iëren)

checken

vérifier (FR)
ikcheck
je (jij)checkt
ucheckt
hij / ze / hetcheckt
we (wij)checken
julliechecken
ze (zij)checken

verifiëren

vérifier
ikverifieer
jeverifieert
uverifieert
hij / ze / hetverifieert
weverifiëren
jullieverifiëren
zeverifiëren

controleren

contrôler
ikcontroleer
jecontroleert
ucontroleert
hij / ze / hetcontroleert
wecontroleren
julliecontroleren
zecontroleren