Modale Werkwoorden Oefenen - Kantoorcontext

Modale werkwoorden

Overzicht van de vervoegingen

Moeten (devoir)

ik moet

je moet

hij, ze, het moet

u moet

we moeten

jullie moeten

ze moeten

Kunnen (pouvoir)

ik kan

je kan / kunt

hij, ze, het kan

u kan / kunt

we kunnen

jullie kunnen

ze kunnen

Willen (vouloir)

ik wil

je wil / wilt

hij, ze, het wil / wilt

u wil / wilt

we willen

jullie willen

ze willen

Mogen (permission)

ik mag

je mag

hij, ze, het mag

u mag

we mogen

jullie mogen

ze mogen

De toekomst (le futur)

In het Nederlands hebben we twee futurs:

Gaan + infinitief
ik ga werken
je gaat werken
hij, ze, het gaat werken
u gaat werken
we gaan werken
jullie gaan werken
ze gaan werken
Zullen + infinitief
ik zal werken
je zal / zult werken
hij, ze, het zal werken
u zal / zult werken
we zullen werken
jullie zullen werken
ze zullen werken