Overzicht van de vervoegingen
ik moet
je moet
hij, ze, het moet
u moet
we moeten
jullie moeten
ze moeten
ik kan
je kan / kunt
hij, ze, het kan
u kan / kunt
we kunnen
jullie kunnen
ze kunnen
ik wil
je wil / wilt
hij, ze, het wil / wilt
u wil / wilt
we willen
jullie willen
ze willen
ik mag
je mag
hij, ze, het mag
u mag
we mogen
jullie mogen
ze mogen
In het Nederlands hebben we twee futurs:
| Gaan + infinitief |
|---|
| ik ga werken |
| je gaat werken |
| hij, ze, het gaat werken |
| u gaat werken |
| we gaan werken |
| jullie gaan werken |
| ze gaan werken |
| Zullen + infinitief |
|---|
| ik zal werken |
| je zal / zult werken |
| hij, ze, het zal werken |
| u zal / zult werken |
| we zullen werken |
| jullie zullen werken |
| ze zullen werken |
Zet deze zin om:
Je eindscore is 0/15