Modale Werkwoorden Oefenen - Kantoorcontext

Modale werkwoorden

Overzicht van de vervoegingen

Moeten (devoir)

ik moet

je moet

hij, ze, het moet

u moet

we moeten

jullie moeten

ze moeten

Kunnen (pouvoir - capacité)

ik kan

je kan / kunt

hij, ze, het kan

u kan / kunt

we kunnen

jullie kunnen

ze kunnen

Willen (vouloir)

ik wil

je wil / wilt

hij, ze, het wil / wilt

u wil / wilt

we willen

jullie willen

ze willen

Mogen (pouvoir - permission)
Mogen is permissie (toestemming) en dus meer voor kinderen. Voor volwassenen is dit niet zo belangrijk. Op kantoor gebruiken we vaak gewoon kunnen.

ik mag

je mag

hij, ze, het mag

u mag

we mogen

jullie mogen

ze mogen

De toekomst (le futur)
In het Nederlands maken we geen verschil tussen futur proche en futur simple. Je mag gaan of zullen beide gebruiken. Kies in de instellingen bovenaan welke je wil oefenen!

Gaan + infinitief
ik ga werken
je gaat werken
hij, ze, het gaat werken
u gaat werken
we gaan werken
jullie gaan werken
ze gaan werken
Zullen + infinitief
ik zal werken
je zal / zult werken
hij, ze, het zal werken
u zal / zult werken
we zullen werken
jullie zullen werken
ze zullen werken